Hoe belangrijk is voeding voor het lichaam

We kunnen stellen: ‘de mens is wat hij eet’. Dit is voor een gedeelte waar. Een verkeerd eetpatroon zal het lichaam alleen maar zwakker maken.

Hierbij spelen ook nog andere factoren mee, bijvoorbeeld de aangeboren aanleg voor bepaalde ziekte beelden, hoe bent u als kind opgevoed, welke eetgewoonte hadden uw ouders, welke kinderziektes en medicijnen heeft u vroeger langdurig gebruikt of gebruikt u nu, hoe zijn de hormonale andere organische functies op dit moment, hoe is het gesteld met de stoelgang of vochthuishouding. En zo zijn nog een heleboel factoren opnoemen welke er toe bij dragen hoe het nu met u lichamelijk is gesteld.

Voedingsstoffen en een optimale weerstand
Ook de mens is als levend organisme aan wetmatigheid onderhevig. Ons lichaam kan alleen dan goed functioneren, als het die stoffen uit zijn voeding krijgt welke het lichaam nodig heeft om te kunnen functioneren. Door de juiste voeding blijft het lichaam via het biochemisch proces bestand tegen externe en interne invloeden.

1. Het lichaam is dagelijks onderhevig aan externe vervuiling, zoals:

  • luchtvervuiling, welke de industrialisatie ons heeft gebracht.
  • vervuiling van het wateroppervlak,
  • vervuiling van het grondwater,
  • de negatieve energie om ons heen welke de lichamelijke weerstand kan beïnvloeden*.

* Hiermee bedoelen we het wonen of werken in een omgeving waar veel energie wordt gebruikt of getransporteerd, bijv. elektriciteit, geluidsoverlast, psychische overlast (werkdruk, stress.)

2. Ook kan aan een ziektebeeld een erfelijkheid factor ten grondslag liggen. Dit wil niet automatisch zeggen dat men het ziektebeeld krijgt, maar wel dat de aanleg er voor aanwezig is, zodat de kans om dit ziektebeeld te krijgen bij een te lage lichamelijke weerstand groter wordt.

Al deze invloeden kunnen een inwerking hebben op het lichamelijk functioneren.

Ziektebeelden zijn niet anders dan signalen die het lichaam afgeeft dat er iets niet meer goed functioneert.
Dit kan zijn oorsprong vinden in een tekort aan één of meerdere bepaalde stof(en), of het kan een ontregeling of zwakte zijn van een bepaald organisch lichaams­onderdeel. Tevens kunnen verschillende van deze factoren gelijktijdig een rol spelen.

 

De Voeding

Het lichaam neemt dagelijks voeding tot zich bestaande uit vaste en vloeibare stoffen. Deze voedingsstoffen worden op diverse plaatsen in het lichaam ontleed en via het bloed naar de cellen van alle weefsels gevoerd. Het dagelijkse voedsel blijkt bij een chemische analyse uit drie soorten verbindingen te bevatten van waaruit het lichaam door de afbraak (vertering) energie uit kan verkrijgen.

Deze drie voedingsstoffen zijn: koolhydraten, vetten en eiwitten.

A: Koolhydraten
Koolhydraten zijn de brandstof voor het lichaam. Dit zijn de voornaamste energiebronnen die zijn opgebouwd uit de elementen: koolstof, waterstof en zuurstof.
De koolhydraten in ons voedsel zijn zetmeel en suikers.

  • Zetmeel komt vooral voor in tal van plantaardige producten zoals; aardappelen, rijst en meel uit graansoorten.
  • Suikers komen voor als samengestelde suikers in riet of bietsuiker (sacharose.)
  • Melksuiker (lactose) en als enkelvoudige suikers zoals druivensuiker (glucose of dextrose) en uit honing (glucose of fructose.)

In de lever vinden we een koolhydratenreserve in de vorm van dierlijk zetmeel of glycogeen.
Ook in de spieren komt glycogeen voor die een belangrijke rol speelt in de stofwisseling van de werkende spier.
1 gram koolhydraten levert 4 kcal (6,67 Kjoule) warmte bij verbranding.

B: Vetten
Naast voedingsvet is vet van betekenis als lichaamsvet in de vorm van reservestof (onderhuids vetweefsel tussen de spieren en het beenmerg), steunvet (in de oogkas en rond de nieren), smeerstof (voor het bewegen van pezen in de peesschede). Het lichaam is in staat uit koolhydraten vetten te vormen. Vet dient als een oplosmiddel voor sommige vitamines en als bron van energie.
Ook vetten zijn opgebouwd uit koolstof, waterstof en zuurstof.
Zij bevinden zich vooral in de vorm van boter, melk, spek, olie, traan enz.
1 gram vet levert 9 kcal (37,5 Kjoule) warmte op bij verbranding.

C: Eiwitten
Eiwitten zijn de bouwstoffen voor het lichaam. Deze zijn totaal onontbeerlijk. Zij zijn een onmisbaar bestanddeel van de cel (protoplasma). Het lichaam bouwt geen eiwit reserves op.
Eiwitten zijn opgebouwd uit koolstof, waterstof, zuurstof en stikstof.
Eiwitten komen in vele voedingsmiddelen voor. De bekendste zijn: vlees, melk, eieren, kaas, aardappelen, bonen, erwten en graan vruchten.
Er bestaan dus dierlijke en plantaardige eiwitten. Eiwitten worden ontleed tot aminozuren.
Het menselijke eiwitmolecuul bevat 22 verschillende aminozuren. Hiervan kunnen wij er 12 zelf op bouwen. De resterende 10 moeten echter met het voedsel tot ons komen. Deze essentiële aminozuren zijn in alle dierlijke eiwitten aanwezig en ook in enkele plantaardige eiwitten zoals aardappelen.
De meeste plantaardige eiwitten hebben echter een tekort aan een of meer essentiële aminozuren. Deze noemen we onvolwaardige eiwitten. Vandaar dat we deze tekorten moeten aanvullen met dierlijke eiwitten.
1 gram eiwit bedraagt 4 kcal of 16,67 Kjoule warmte bij verbranding.

Buiten de drie voedingsstoffen bevat ons voedsel ook nog andere voedingsproducten die stoffen bevatten die het lichaam nodig heeft:

D: Water
Dit is een onmisbare stof voor ons lichaam. Het watergehalte in ons lichaam is ca 60%.
Water is nodig voor vertering, de opslorping door de darmwand heen en het transport door het bloed.
Uitscheiding geschied via de nieren 50 %, via huid 30 %, via longen 15%, via de faeces 5%.
Water is nodig voor de handhaving van een constante lichaamstemperatuur.

E: Zouten
Dit zijn minerale stoffen in ons lichaam.
De belangrijkste vormen zijn:

  • Calcium en Magnesiumfosfaat voor de vorming van de beenderen.
  • IJzer in hemoglobine,
  • Jodium in keukenzout voor het schildklierhormoon.

De pH waarde van het bloed wordt onder ander geregeld door basische zouten van vooral zwakke zuren uit plantaardig voedsel.
Deze worden gebruikt om bij de afbraak ontstane OH-ionen welke zich binden met CO2 (zo ontstaat er HCO3 bicarbinaat), de pH waarde te verhogen.
CO2 + H2O verlagen de pH waarde van het bloed.
De pH waarde van het bloed bedraagt bij een gezond mens gemiddeld 7,4 pH.

F: Vitaminen
Dit zijn organische stoffen die in kleine hoeveelheden onontbeerlijk zijn voor het leven in de cel. Vitaminen waarborgen de normale werking van de organen. Zij hebben geen eigenlijke verbrandingswaarde. Wel hebben zij, net zoals mineralen, een belangrijke regulerende rol bij vrijwel alle stof wisseling processen.
Vitaminen worden aangeduid als beschermende stoffen. Indien zij niet of in onvoldoende mate aanwezig zijn, ontstaat er op den duur en gebreksziekte (avitaminosen.)
Het lichaam is niet of nauwelijks in staat zelf vitaminen te maken. Zij moeten dus vanuit ons voedselpakket worden geleverd en aangevoerd.
Vitaminen worden verdeeld in twee groepen:

  • in vet oplosbare (A, D, E en K)
  • in water oplosbare (B en C)

G: Enzymen
Deze dienen er voor om de voeding zo te bewerken dat het via de darmwand opgenomen kan worden en zodoende via het bloed verder getransporteerd kan worden.
Enzymen bevinden zich in de sappen van de maag en darmen.
Zij hebben de volgende kenmerken, hun werking is specifiek, ze zijn zeer gevoelig voor temperatuursverandering.
Hun activiteit is sterk beïnvloedbaar door de pH waarde in het lichaamsmilieu en veel enzymen kunnen slechts werken als een andere stof hen tot arbeid aanzet (activator.)